aanvuring

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·vu·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanvuring aanvuringen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aanvuring v [1]

  1. de keer dat men iemand stimuleert om iets goeds te doen
     Op het plein onder de prachtige Zuid-Amerikaanse boom Le Bel Ombra is het wel druk. maar dat komt omdat er onder aanvuring van de plaatselijke deejay door het vrouwelijk schoon van Porto Vecchio massaal een dans wordt uitgevoerd.[2]
     Door consequent te investeren in de stad is enorme vooruitgang geboekt. Samen met liberalen en confessionelen, maar ideologisch onder aanvuring van de sociaaldemocratie.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

65 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron CATHERINE DE GROOT “Corsica: Genieten van de rust” (05 jul. 2013), De Telegraaf
  3. Bronlink Weblink bron Lodewijk Asscher “Asscher: ‘Sociaaldemocraten hebben de stad verbeterd’” (26 augustus 2019,), Het Parool