dulden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Wij dulden geen anarchie (Duitsland 1919)
Uitspraak
Woordafbreking
  • dul·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dulden
duldde
geduld
zwak -d volledig

Werkwoord

dulden

  1. (overgankelijk) bereid zijn iets ongestraft te laten
    Hij duldde niet langer dat ze hem nadeden en werd daarom kwaad.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Duits

Werkwoord

dulden

  1. dulden, pikken, gedogen, velen, tolereren
Afgeleide begrippen