Naar inhoud springen

slikken

Uit WikiWoordenboek
  • slik·ken
  • In de betekenis van ‘door het keelgat doen gaan’ voor het eerst aangetroffen in 1351 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
slikken
/'slɪkən/
slikte
/'slɪktə/
geslikt
/ɣə'slɪkt/
zwak -t volledig

slikken

  1. overgankelijk de mondinhoud de slokdarm doen afdalen
    • Hij slikte veel vitaminetabletten. 
     Marjo verongelukte kort na de geboorte van haar dochter Caroline, toen ze tegen de gebruiksaanwijzing in toch in haar auto stapte na het slikken van antidepressiva.[3]
     Uren gingen voorbij en al had ik geen mushrooms geslikt, toch voelde ik me high en als in een trance betoverd door alles wat ik om me heen zag.[4]
  2. overgankelijk overdrachtelijk: iets lijdzaam aanvaarden
    • Hij heeft deze vernedering zonder meer geslikt. 

deslikkenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord slik
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord slikke
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]