slikken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slik·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
slikken
/'slɪkən/
slikte
/'slɪktə/
geslikt
/ɣə'slɪkt/
zwak -t volledig

Werkwoord

slikken

  1. overgankelijk de mondinhoud de slokdarm doen afdalen
    • Hij slikte veel vitaminetabletten. 
  2. overgankelijk overdrachtelijk: iets lijdzaam aanvaarden
    • Hij heeft deze vernedering zonder meer geslikt. 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

slikken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord slik
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord slikke

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie