accepteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ac·cep·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘aannemen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1452 [1]
  • afgeleid van het Franse accepter (met het achtervoegsel -eren) [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
accepteren
accepteerde
geaccepteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

accepteren

  1. overgankelijk (onder protest) aanvaarden
    • Ik zal dat dan voor één keer accepteren... 
    • Hogeschool Saxion is absoluut niet te spreken over het plan voor de herziening van de bekostiging van het hoger onderwijs in Nederland. Dat zegt bestuursvoorzitter Anka Mulder. Als die plannen doorgaan, gaat er jaarlijks 4 miljoen euro minder naar de hogeschool. „Dat kunnen wij niet accepteren, dit voorstel moet van tafel.” [4] 
  2. overgankelijk aannemen, graag ontvangen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen