opleggen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·leg·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opleggen
legde op
opgelegd
zwak -d volledig

Werkwoord

opleggen

  1. (overgankelijk) iets een liggende plaats geven op iets anders
    We hebben een nieuwe band opgelegd.
  2. (overgankelijk) ~ met een laag sierhout aanbrengen op een minder edele ondergrond
    Dexe tafel is opgelegd met mahonie.
  3. (ditransitief) iemand iets ~: iemand aan een dwangmaatregel onderwerpen
    Hij kreeg een boete van driehonderd dollar opgelegd.
Typische woordcombinaties
  • iemand het zwijgen opleggen
    iemand dwingen tot zwijgen
Vertalingen