opleggen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·leg·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opleggen
legde op
opgelegd
zwak -d volledig

Werkwoord

opleggen

  1. overgankelijk iets een liggende plaats geven op iets anders
    • We hebben een nieuwe band opgelegd. 
  2. overgankelijk ~ met een laag sierhout aanbrengen op een minder edele ondergrond
    • Dexe tafel is opgelegd met mahonie. 
  3. ditransitief iemand iets ~: iemand aan een dwangmaatregel onderwerpen
    • Hij kreeg een boete van driehonderd dollar opgelegd. 
Typische woordcombinaties
  • iemand het zwijgen opleggen
    iemand dwingen tot zwijgen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be