aantrekkelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·trek·ke·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aantrekkelijk aantrekkelijker aantrekkelijkst
verbogen aantrekkelijke aantrekkelijkere aantrekkelijkste
partitief aantrekkelijks aantrekkelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

aantrekkelijk

  1. bekoorlijk, fijn, leuk, knap
    • Ze spelen aantrekkelijk voetbal. 
    • Een filmster is vaak een aantrekkelijke vrouw. 
    • Het is een aantrekkelijk plan om eerst hard te gaan werken en daarna op vakantie te gaan. 
  2. (verouderd) licht geraakt, zich dingen aantrekkend
    • En toch was hij, ten gevolge van zijn ligchaamsgestel, niet zelden zwaarmoedig gestemd en doorgaande gevoelig en aantrekkelijk. [1]
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden. (1864).
    Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden over het jaar. Leiden, E.J. Brill.