aanhalig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ha·lig
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van de stam van aanhalen met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aanhalig aanhaliger aanhaligst
verbogen aanhalige aanhaligere aanhaligste
partitief aanhaligs aanhaligers -

Bijvoeglijk naamwoord

aanhalig

  1. lief doend, geneigd tot toenadering
    • Hij heeft een aanhalige kat. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be