aanhalerig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ha·le·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aanhalerig aanhaleriger aanhalerigst
verbogen aanhalerige aanhalerigere aanhalerigste
partitief aanhalerigs aanhalerigers -

Bijvoeglijk naamwoord

aanhalerig

  1. te aanhalig

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.