allumer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frans

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
allumer
allumais
allumé
eerste groep volledig

Werkwoord

allumer

  1. aanmaken; doen branden.
  2. (spreektaal) prikkelen, uitdagen, opgeilen
    «Ta copine, tu devrais la tenir un peu, elle a pas arrêté de m’allumer pendant toute la soirée!»
    Je zou je vriendin een beetje moeten afremmen, ze heeft me de hele avond lopen uitdagen! [1]
  3. (spreektaal) slaan
    «C’bâtard, s'il continue à me chercher, j’vais l’allumer
    Die schoft, als-ie ruzie blijft zoeken, sla ik hem op zijn bek. [1]
  4. (spreektaal) neerknallen [1]

Verwijzingen