uitdraaien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·draai·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitdraaien
draaide uit
uitgedraaid
zwak -d volledig

Werkwoord

uitdraaien [1]

  1. ~ op: uiteindelijk als resultaat hebben
    • De werknemersorganisatie is bang dat de reorganisatie uitdraait op een massaontslag. 
    • Het zal wel op een teleurstelling uitdraaien. 
    • In de Rooms-Katholieke Kerk en Orthodoxe Kerk horen ze alleen een politiek verhaal, dat uitdraait op moralisme en legalisme. „Mensen merken er nooit dat Christus direct in het hart komt en daar vrijheid schenkt.” [2] 
  2. overgankelijk door draaien iets ergens uit halen
    • Voorzichtig draaide hij de ontsteking uit de bom. 
  3. ergatief stoppen met draaien
    • Wacht even tot de machine helemaal is uitgedraaid. 
  4. overgankelijk door draaien aan een schakelaar uitdoen
    • Heb ik het gas nou wel uitgedraaid? 
  5. overgankelijk met een printer afdrukken op papier
    • Ik kon het document niet uitdraaien. 
Antoniemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

uitdraaien mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord uitdraai

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad Klaas van der Zwaag 25-05-2016 Gereformeerden in Europa in diaspora
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be