zinnen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zinnen
/'zɪnə(n)/
zon
zɔn
gezonnen
ɣə'zɔnə(n)
1. klasse 3 volledig
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zinnen
/'zɪnə(n)/
zinde
/'zɪndə/
gezind
/ɣə'zɪnt/
2. zwak -d volledig
Uitspraak
Woordafbreking
  • zin·nen

Werkwoord

zinnen

  1. (inergatief) de gedachten ergens over laten gaan
    Hij zon op wraak.
  2. (onpersoonlijk) in de smaak vallen
    Dat zinde hem helemaal niet.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

zinnen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zin
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen