duim

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • duim
enkelvoud meervoud
naamwoord duim duimen
verkleinwoord duimpje duimpjes

Zelfstandig naamwoord

duim m

  1. (anatomie) eerste, kortste en dikste vinger, gelegen naast de wijsvinger, met twee geledingen, die zowel naast als tegenover de andere vingers geplaatst kan worden
  2. (eenheid), (verouderd) oude lengtemaat. De exacte lengte is streek-afhankelijk; bijvoorbeeld, de Engelse duim is 2.54 cm (inch), de Amsterdamse duim is 2.573 cm
  3. haakspijker.
  4. scharnierhaak.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
duimen

duim

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van duimen
    Ik duim.
  2. gebiedende wijs van duimen
    Duim!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van duimen
    Duim je?

Meer informatie