vuur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vuur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vuur vuren
verkleinwoord vuurtje vuurtjes

Zelfstandig naamwoord

vuur o

  1. een lichtend verschijnsel dat ontstaat wanneer iets verbrandt
    De brandweer doofde het vuur met water en andere blusmiddelen.
  2. beschieting met vuurwapens
    Zo kwam de stad onder vuur te liggen.
  3. enthousiasme, bezieldheid
    hij verdedigde zijn ideeën vol vuur
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • als een lopend vuurtje
  • het olympisch vuur
  • in vuur en vlam staan
  • olie op het vuur gooien
  • onder vuur
  • onder vuur genomen worden
  • onder vuur komen te liggen
  • onder vuur nemen
  • vuur stoken
  • zwaar onder vuur liggen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
vuren

vuur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vuren
    Ik vuur.
  2. gebiedende wijs van vuren
    Vuur!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vuren
    Vuur je?


Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /ˈvyːr/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

vuur o

  1. vuur
    «'d Vuur versprij zich zoefrasj dórche bósj.»
    Het vuur verspreidde zich razendsnel door het bos.
Verbuiging