vuur

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vuur
enkelvoud meervoud
naamwoord vuur vuren
verkleinwoord vuurtje vuurtjes

Zelfstandig naamwoord

vuur o

  1. een lichtend verschijnsel dat ontstaat wanneer iets verbrandt.
    De brandweer doofde het vuur met water en andere blusmiddelen.
  2. beschieting met vuurwapens.
    Zo kwam de stad onder vuur te liggen.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
vuren

vuur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vuren
    Ik vuur.
  2. gebiedende wijs van vuren
    Vuur!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vuren
    Vuur je?
Persoonlijke instellingen