brand

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Brand
Een brand.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brand
enkelvoud meervoud
naamwoord brand branden
verkleinwoord brandje brandjes

Zelfstandig naamwoord

brand m

  1. verbranding met vuur
    Er is een brand in de school.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

vuur

Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
branden

brand

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van branden
    Ik brand.
  2. gebiedende wijs van branden
    Brand!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van branden
    Brand je?


Noors

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • brand
Woordherkomst en -opbouw
  • [A]: Afkomstig van het Oudnoorse zelfstandige naamwoord brandr.
  • [B]: Afkomstig van het Engelse zelfstandige naamwoord brand.
Naar frequentie 11016
[A]+[B] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   brand     branden     brander     brandene  
genitief   brands     brandens     branders     brandenes  

Zelfstandig naamwoord

[A]: brand, m

  1. een gesneden post of stok
  2. dwarshout
  3. bonk, vent
  4. een bevreesde, onverschrokken persoon
Schrijfwijzen
Synoniemen
Hyperoniemen

Zelfstandig naamwoord

[B] brand, m

  1. handelsmerk, merk
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

brand
  1. verouderde spelling of vorm van brann
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud van brand, m


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • brand
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse zelfstandige naamwoord brandr.
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   brand     branden     brandar     brandane  

Zelfstandig naamwoord

brand, m

  1. een gesneden post of stok
  2. dwarshout
  3. een lange knuppel
  4. bonk, vent
  5. een bevreesde, onverschrokken persoon
Schrijfwijzen
Synoniemen
Hyperoniemen

Zelfstandig naamwoord

brand
  1. verouderde spelling of vorm van brann
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud van brand, m


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • brand
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse zelfstandige naamwoord brandr
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   brand     branden     bränder     bränderna  
genitief   brands     brandens     bränders     brändernas  

Zelfstandig naamwoord

brand, g

  1. brand
    «Ingen person skadades i samband med branden
    Niemand raakte gewond bij de brand.
Synoniemen
Afgeleide begrippen