abacus

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken
abacus

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • a·ba·cus
enkelvoud meervoud
naamwoord abacus abaci
abacussen
verkleinwoord abacusje abacusjes

Zelfstandig naamwoord

abacus m

  1. (wiskunde) raam met staven waarop balletjes kunnen schuiven om kinderen te leren rekenen.
  2. (architectuur) dekplaat van een kapiteel.
Synoniemen
Vertalingen


Engels

enkelvoud meervoud
abacus abaci
abacuses

Zelfstandig naamwoord

abacus

  1. telraam, abacus.


Latijn

Zelfstandig naamwoord

abacus m

  1. buffet
  2. speeltafel
  3. telraam, abacus.
Verbuiging
enkelvoud meervoud
nominatief abacus abacī
genitief abacī abacōrum
datief abacō abacīs
accusatief abacum abacōs
vocatief abace abacī
ablatief abacō abacīs



Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • aba·cus
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Semitische woord abaq (bord).

Zelfstandig naamwoord

abacus m

  1. (wiskunde) telraam, abacus (raam).
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   abacus     abacusen     abacuser     abacusene  
genitief   abacus'     abacusens     abacusers     abacusenes  
Schrijfwijzen
Synoniemen
Persoonlijke instellingen