trouw
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- trouw
Woordherkomst en -opbouw
- Etymologisch verwant met het Engelse true (waar, waarachtig, betrouwbaar).
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | trouw | trouwer | trouwst |
| verbogen | trouwe | trouwere | trouwste |
Bijvoeglijk naamwoord
trouw
- op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
- Hij is een trouwe werknemer voor zijn baas.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| trouwen |
trouw