trouw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trouw
Woordherkomst en -opbouw
  • Etymologisch verwant met het Engelse true (waar, waarachtig, betrouwbaar).
enkelvoud meervoud
naamwoord trouw -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

trouw m

  1. het zich houden aan een verbintenis
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen trouw trouwer trouwst
verbogen trouwe trouwere trouwste

Bijvoeglijk naamwoord

trouw

  1. op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
    Hij is een trouwe werknemer voor zijn baas.
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
trouwen

trouw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trouwen
    Ik trouw.
  2. gebiedende wijs van trouwen
    Trouw!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trouwen
    Trouw je?

Meer informatie