vertrouwen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: vertrouwen (hulp, bestand)
Woordafbreking
- ver·trou·wen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vertrouwen | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
vertrouwen o
- het geloof in betrouwbaarheid van een persoon.
- Ik heb alle vertrouwen in je.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| vertrouwen |
vertrouwde |
vertrouwd |
| volledig | ||
Werkwoord
vertrouwen
- geloven in de betrouwbaarheid van een persoon.
- Wij zullen je voortaan meer vertrouwen.
Vaste voorzetsels
- vertrouwen op
Vertalingen
Naamwoord
Werkwoord