vertrouwen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·trou·wen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vertrouwen | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
vertrouwen o
- (psychologie) het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
- Ik heb alle vertrouwen in je.
Vertalingen
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| vertrouwen |
vertrouwde |
vertrouwd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
vertrouwen
- (overgankelijk) geloven in de betrouwbaarheid van een persoon
- Wij zullen je voortaan meer vertrouwen.
Vaste voorzetsels
- vertrouwen op
Vertalingen
1. geloven in de betrouwbaarheid van een persoon