ontrouw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·trouw
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van trouw met het voorvoegsel on-
enkelvoud meervoud
naamwoord ontrouw -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ontrouw m

  1. gedrag dat niet loyaal is
    Zijn ontrouw kwam hem duur te staan.
stellend
onverbogen ontrouw
verbogen ontrouwe

Bijvoeglijk naamwoord

ontrouw

  1. gebrek aan loyaliteit vertonend
    De ontrouwe soldaten werden gevangengenomen en voor de krijgsraad gesleept.