tal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tal
enkelvoud meervoud
naamwoord tal tallen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

tal o

  1. een numerieke hoeveelheid
    Wy groeien vast in tal en last:
    ons tweede vaders klagen.
    Ay ga niet voort door deze poort,
    of help een luttel dragen’.[1]
  2. ~ van: vrij veel
    Hij heeft tal van onderscheidingen gekregen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Opschrift van Vondel boven het jongensweeshuis in de Kalverstraat te Amsterdam.


Pools

Periodiek systeem der elementen (pol)
H He
Li Be B C N O F Ne
Na Mg Al Si P S Cl Ar
K Ca Sc Ti V Cr Mn Fe Co Ni Cu Zn Ga Ge As Se Br Kr
Rb Sr Y Zr Nb Mo Tc Ru Rh Pd Ag Cd In Sn Sb Te I Xe
Cs Ba * Hf Ta W Re Os Ir Pt Au Hg Tl Pb Bi Po At Rn
Fr Ra ** Rf Db Sg Bh Hs Mt Ds Rg Cn Uut Uup Uus Uuo
* La Ce Pr Nd Pm Sm Eu Gd Tb Dy Ho Er Tm Yb Lu
** Ac Th Pa U Np Pu Am Cm Bk Cf Es Fm Md No Lr

Zelfstandig naamwoord

tal

  1. (scheikunde), (element) Tl, thallium



Welsh

stellend vergrotend overtreffend
tal talach talaf

Bijvoeglijk naamwoord

tal

  1. lang, hoog


Spaans

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
mannelijk tal tales
vrouwelijk tal tales
Woordafbreking
  • tal

Bijvoeglijk naamwoord

tal

  1. zulk,dergelijk, soortgelijk,zo, zo'n, zodanig
  2. een zekere, de bewuste
Synoniemen


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   tal     talet     tal     talen  
genitief   tals     talets     tals     talens  
  1. getal