tweetal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • twee·tal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tweetal tweetallen
verkleinwoord (tweetalletje) (tweetalletjes)

Zelfstandig naamwoord

tweetal o

  1. welgeteld twee
    Er is een tweetal redenen om dit niet te doen.
  2. een groep van twee
    Het vrolijke tweetal liep lachend weg.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen