raam

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • raam
enkelvoud meervoud
naamwoord raam ramen
verkleinwoord raampje raampjes

Zelfstandig naamwoord

raam o

  1. (bouwkunde) een constructie in de wand van een ruimte om licht door te laten, vaak gevuld met een plaat doorzichtig materiaal zoals glas
  2. een kader, een rechthoekige constructie rond een afbeelding
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ramen

raam

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ramen
    Ik raam.
  2. gebiedende wijs van ramen
    Raam!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ramen
    Raam je?


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /raːm/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

raam m

  1. (bouwkunde) raam.
    «Dooch de raam toe, 't trèk hie!»
    Doe het raam dicht, het tocht hier!
Verbuiging
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen