raam

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Venster met raam en ruit

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • raam
enkelvoud meervoud
naamwoord raam ramen
verkleinwoord raampje raampjes

Zelfstandig naamwoord

raam o

  1. (bouwkunde) een constructie in de wand van een ruimte om licht door te laten, vaak gevuld met een plaat doorzichtig materiaal zoals glas [1]
  2. (techniek) een kader, een rechthoekige constructie rond een afbeelding
  3. (juridisch), (politiek), (overdrachtelijk) de basisstructuur van een akkoord of wet waarin slechts de begrenzing van het geheel, en het onderlinge verband van onderdelen, is vastgesteld [2]
    Dit voorstel past niet in het raam van het akkoord.
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ramen

raam

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ramen
    Ik raam.
  2. gebiedende wijs van ramen
    Raam!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ramen
    Raam je?
Afgeleide begrippen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /raːm/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

raam m

  1. (bouwkunde) raam.
    «Dooch de raam toe, 't trèk hie!»
    Doe het raam dicht, het tocht hier!
Verbuiging