naam
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA: /nam/
Woordafbreking
- naam
Woordherkomst en -opbouw
- Germaans namon van het Indo-Europees h₁nḗh₃mn̥ (naam).
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | naam | namen |
| verkleinwoord | naampje | naampjes |
naam m
- kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen.
- bekendheid, reputatie.
- naam maken, bekendheid verwerven
Uitdrukkingen en gezegden
- naam met scharnieren
- Jan Vermast van Gelderzande tot Machelen
Vertalingen
1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
2. bekendheid, reputatie