adres
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- adres
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | adres | adressen |
| verkleinwoord | adresje | adresjes |
Zelfstandig naamwoord
adres o
- aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
- Geef me je adres en ik zal je een brief sturen.
- (informatica) bij registratie van het adres worden woonplaats en postcode meestal in een apart attribuut aangebracht zodat in het attribuut adres alleen straatnaam en huisnummer overblijven
- verzoek, aan een bevoegde macht gericht
- (informatica) geheugenplaats in een computer
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | adres | adresse |
Zelfstandig naamwoord
adres
Pools
Zelfstandig naamwoord
adres m
Verbuiging
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| nominatief | adres | adresy |
| genitief | adresu | adresów |
| datief | adresowi | adresom |
| accusatief | adres | adresy |
| instrumentalis | adresem | adresami |
| locatief | adresie | adresach |
| vocatief | adresie | adresy |
Turks
Zelfstandig naamwoord
adres