bekendheid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·kend·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bekendheid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bekendheid v

  1. het bekend zijn bij velen
    Hij verwierf hierdoor grote bekendheid.
  2. het bekend zijn met iets
    Zijn bekendheid met deze materie is een groot voordeel voor onze vereniging.
  3. iemand die bekend is
    Hij is een bekendheid in Gouda en omstreken: de portier van de Goudse Schouwburg, Will Bos.[1]
Verwijzingen
  1. AD.nl (25 mei 2008). "Portier schouwburg nu zelf op podium". Geraadpleegd op 3 juli 2012.
Vertalingen