nam
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA:
- (Noord-Nederland) /nɑm/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg) /nɑm/
Woordafbreking
- nam
Werkwoord
| vervoeging van |
| nemen |
nam
- enkelvoud verleden tijd van nemen
- Ik nam, jij nam, hij nam.
Latijn
Voegwoord
nam
Vietnamees
Bijvoeglijk naamwoord
nam
- zuidelijk: betreffende, zich bevindende in of komende uit het zuiden.
- mannelijk, mannen-: met betrekking tot een man, kenmerkend voor een man.
Synoniemen
- [2] trai