zeep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zeep
enkelvoud meervoud
naamwoord zeep zepen
verkleinwoord zeepje zeepjes

Zelfstandig naamwoord

zeep v/m

  1. (scheikunde) (huishouden) substantie waarmee schoon gemaakt wordt; heeft een ontvettende werking
  2. een stuk van bovengenoemde substantie
    • Geef mij de zeep eens aan. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zijpen

zeep

  1. enkelvoud verleden tijd van zijpen
    • Ik zeep. 
    • Jij zeep. 
    • Hij, zij, het zeep. 

Werkwoord

vervoeging van
zepen

zeep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zepen
    • Ik zeep. 
  2. gebiedende wijs van zepen
    • Zeep! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zepen
    • Zeep je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie