zeep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zeep
enkelvoud meervoud
naamwoord zeep zepen
verkleinwoord (zeepje) (zeepjes)

Zelfstandig naamwoord

zeep v/m

  1. (scheikunde) (huishouden) substantie waarmee schoon gemaakt wordt; heeft een ontvettende werking
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zijpen

zeep

  1. enkelvoud verleden tijd van zijpen
    Ik zeep.
    Jij zeep.
    Hij, zij, het zeep.

Werkwoord

vervoeging van
zepen

zeep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zepen
    Ik zeep.
  2. gebiedende wijs van zepen
    Zeep!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zepen
    Zeep je?

Meer informatie