toiletzeep

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

toiletzeep van de Gruyter
Uitspraak
Woordafbreking
  • toi·let·zeep
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord toiletzeep toiletzepen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

toiletzeep v/m [1]

  1. zeep waarmee een mens zich kan wassen
    • Savonneries Bruxelloises is een oud familiebedrijf dat in 1926 werd opgericht en naar eigen zeggen ‘ambacht nog heel hoog in het vaandel draagt’. Het brengt zachtschuimende en fijne toiletzepen op de markt, die gefabriceerd worden in een atelier in Jette. ‘Meerdere generaties zijn elkaar al opgevolgd, maar ons doel blijft hetzelfde: de beste zeep ter wereld maken’, klinkt het.[2] 
    • Net als in zijn overdadig zintuiglijke beschrijvingen, zoals een tafereeltje van de Wapshots die bijeen zitten in hun rozentuin, boven de rivier, 'naar de papegaai luisteren en de zachte strelingen voelen van zo'n avondbriesje dat in New England zo naar meisjesdingen geurt - naar poudre díris en toiletzeep en gehuurde kamers die bij het open raam nat zijn geworden in een onweersbui, naar kamerpotten en zuringsoep, katoentjes, rozen en gazons (...) naar weilanden die te koop staan en nu vol staan met wijnruit en varens (...)'.[3] 
Synoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Hyperoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 12 NOVEMBER 2016
  3. Tubantia JESSICA DURLACHER 18 mei 2013