woede

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • woe·de
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘razernij’ voor het eerst aangetroffen in 1588 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord woede woedes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

woede v/m

  1. een gevoel van erge kwaadheid
    • De jongen kon zijn woede maar nauwelijks bedwingen. 
    • En nu kende mijn woede paal noch perk meer. Een vloed van woorden, louter wartaal en schimp, uitbrakend sprong ik weer op, greep mijn stoel aan en hief die in de hoogte.[3] 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
woeden

woede

  1. aanvoegende wijs van woeden

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. etymologiebank.nl
  3. Marcellus Emants, Een nagelaten bekentenis, 1894, Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren