woeden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • woe·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
woeden
woedde
gewoed
zwak -d volledig

Werkwoord

woeden

  1. absoluut (van een natuurverschijnsel) met veel geweld gepaard gaan
    • De afgelopen dagen woedde er een grote brand. 
  2. absoluut hevig bezig zijn (van een discussie, conflict, strijd)
    • In Europa woedt een discussie over de vraag of er een verbod moet komen op het dragen van een boerka. 
    • In Angola heeft jarenlang een bloedige burgeroorlog gewoed tussen de rebellen en het regeringsleger. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
83 % van de Vlamingen.