toorn
Uiterlijk
- toorn
- geen meervoud; erfwoord via Middelnederlands toren van Oudnederlands torn, in de betekenis van ‘woede’ aangetroffen vanaf de tweede helft van de 12e eeuw [1] [2] [3]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | toorn | - |
| verkleinwoord | - | - |
de toorn m
- hevige boosheid
- Men vreze de toorn van God.
- Het is bijvoorbeeld geen geheim dat er regelmatig mensen uit het raam vallen die zich de toorn van het Kremlin op de hals hadden gehaald.[4]
| vervoeging van |
|---|
| toornen |
toorn
- Het woord toorn staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "toorn" herkend door:
| 95 % | van de Nederlanders; |
| 95 % | van de Vlamingen.[5] |
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 of 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Woord zonder meervoud in het Nederlands
- Erfwoord in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 95 %
- Prevalentie Vlaanderen 95 %