Naar inhoud springen

boosheid

Uit WikiWoordenboek
  • boos·heid
  • Afgeleid van boos met het achtervoegsel -heid.
enkelvoud meervoud
naamwoord boosheid boosheden
verkleinwoord - -

deboosheidv

  1. de hoedanigheid van het boos zijn
    • Schelden uit boosheid. 
     De boosheid bouwt vanbinnen op, ik voel haar, het raast, het tiert, het giert en borrelt aan alle kanten.[1]
     Er woedde sindsdien zoveel boosheid in haar.[2]
  2. de hoedanigheid van het kwaadaardig zijn
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[3]
  1. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  2. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be