boosheid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boos·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van boos met het achtervoegsel -heid.
enkelvoud meervoud
naamwoord boosheid boosheden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

boosheid v

  1. de hoedanigheid van het boos zijn
    • Schelden uit boosheid. 
  2. de hoedanigheid van het kwaadaardig zijn
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie