boosheid
Uiterlijk
- boos·heid
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | boosheid | boosheden |
| verkleinwoord | - | - |
de boosheid v
- de hoedanigheid van het boos zijn
- de hoedanigheid van het kwaadaardig zijn
- [1] ergernis, frustratie, irritatie, rancune, woede, wrevel, wrok
- [2] schadelijkheid
1. de hoedanigheid van het boos zijn
2. de hoedanigheid van het kwaadaardig zijn
- Het woord boosheid staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "boosheid" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
- ↑ “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024582280 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -heid in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %