dokwerker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dok·wer·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dokwerker dokwerkers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

dokwerker m

  1. (beroep) (scheepvaart) iemand die in de havens werkt
     In eenige graafschappen van Ierland is de kool tot op zekere hoogte aanwezig; doch de produktie is ook zeer gering. De meest belangrijke bron van de Britsche welvaart, de vader en steun der geheele fabrieksnijverheid, ontbreekt dus in Ierland. Liverpool is het verblijf van den zeeman en dokwerker.[1]
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 5 April 2021 Weblink bron J. Coronel De arbeid en de arbeiders in: Vaderlandsche Letteroefeningen (1867), L.E. Bosch en zoon, Utrecht, p. 819 op dbnl.org op Wikipedia