bootwerker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boot·wer·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bootwerker bootwerkers
verkleinwoord bootwerkertje bootwerkertjes

Zelfstandig naamwoord

bootwerker m

  1. (beroep) (scheepvaart) iemand die in havens schepen laadt en lost
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.