vloed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vloed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vloed vloeden
verkleinwoord vloedje vloedjes

Zelfstandig naamwoord

vloed m

  1. stromende vloeistof met daarmee gepaard gaande verhoging van de vloeistofstand
    • De stortbui zorgde voor een plotselinge vloed die de rivier buiten zijn oevers deed treden. 
  2. hoog water, getij
  3. (medisch) uittrede van lichaamsvocht
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl