vieren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vie·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • [1]: Ontleend aan het Latijnse fēriāri ("een rustperiode nemen").
  • [2]: Afkomst onzeker.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vieren
vierde
gevierd
zwak -d volledig

Werkwoord

vieren

  1. (overgankelijk) op plechtige of feestelijke wijze een gedenkwaardige tijd gedenken
    De Noorse romanschrijver Jonas Lie, die sinds jaren te Parijs woont, zal daar op 6 November 1903 zijn 70ste verjaardag vieren.
  2. (overgankelijk) de lengte van een touw of kabel waaraan iets vastzit langer maken
    Ik liet het ankertouw vieren en duwde de boot met mijn handen langs de graskant.
Typische woordcombinaties
  • een kerkelijke feestdag vieren
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

vieren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord vier
    Hij gooide twee vieren en een drie.

Zelfstandig naamwoord

vieren

  1. datief van vier: bij tijdsaanduidingen na voorzetsels
    Het was al over vieren.
Uitdrukkingen en gezegden
  • Zij waren met zijn vieren.
Zij waren vier in getal.


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
ver

vieren

  1. derde persoon meervoud toekomende tijd (futuro) van ver (modo subjuntivo/aanvoegende wijs)