viering

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vie·ring
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘middenstuk van kruiskerk’ voor het eerst aangetroffen in 1907 [1]
  • Naamwoord van handeling van vieren met het achtervoegsel -ing [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord viering vieringen
verkleinwoord vierinkje vierinkjes

Zelfstandig naamwoord

viering v

  1. het vieren
    • Hij stelde de viering van zijn verjaardag uit. 
  2. (bouwkunde) plaats in een kerk of kathedraal waar het schip en de dwarstransepten elkaar raken
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen