uitvieren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·vie·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

uitvieren [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitvieren
vierde uit
uitgevierd
zwak -d volledig
  1. langzamer gaan rijden of lopen door de aandrijving te stoppen maar zonder bij te remmen
    • Zelfs de verkeershandhavers vinden de situatie op de Brinkstraat volgens wijkagent Anton Brinks 'ethisch niet verantwoord'. Op de brug over de A35 staat een verkeersbord dat aangeeft dat automobilisten niet harder mogen rijden dan 30 kilometer per uur. "Beetje raar", vindt Brinks. "Want ook al laat je je gewoon uitvieren, dan nog rij je harder dan 30 kilometer. [2] 
    • Jamaica won de heat met overmacht: 38,07. Slotloper Usain Bolt kon rustig uitvieren en zijn krachten sparen voor de finale, later op zondag. De tijd van de Jamaicanen was niet de snelste in de voorrondes. Die was voor de Verenigde Staten: 37,87. [3] 
  2. een stuk touw of kabel weg laten trekken zonder dat het strak komt te staan
Synoniemen

Gangbaarheid

61 % van de Nederlanders;
60 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen