verband

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·band
enkelvoud meervoud
naamwoord verband verbanden
verkleinwoord verbandje verbandjes

Zelfstandig naamwoord

verband o

  1. een strook stof om een wond e.d. mee af te dekken
    • De verpleegster legde een nieuw verband aan omdat het oude helemaal vies was geworden. 
  2. gezamelijke verandering
    • Zou er een verband zijn tussen sporten en roken? 
  3. (bouwkunde) het ten opzichte van elkaar laten verspringen van verbindingsnaden
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • in verband met
in samenhang met
 Het was een woord dat hij alleen gebruikte of zelfs maar dacht in verband met haar, zelfs niet in verband met de kinderen.[1]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be