verband

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·band
enkelvoud meervoud
naamwoord verband verbanden
verkleinwoord verbandje verbandjes

Zelfstandig naamwoord

verband o

  1. een strook stof om een wond e.d. mee af te dekken
    • De verpleegster legde een nieuw verband aan omdat het oude helemaal vies was geworden. 
  2. gezamelijke verandering
    • Zou er een verband zijn tussen sporten en roken? 
  3. (bouwkunde) het ten opzichte van elkaar laten verspringen van verbindingsnaden
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie