samenhang

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·men·hang
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord samenhang samenhangen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

samenhang m

  1. toestand waarin er een onderling verband bestaat
     Amerikaanse macht, of het nu gaat om de militaire suprematie of diplomatieke overredingskracht, devalueert als er twijfels rijzen over de interne samenhang. Kan deze wereldspeler als het erop aan komt wel als eenheid opereren?[2]
  2. mate waarin er een onderling verband is
     Je zou dat algemeen beschaafd koeterwaals kunnen noemen: realistische taal, zonder al te veel samenhang.[3]

Werkwoord

vervoeging van
samenhangen

samenhang

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van samenhangen
    • ... dat ik samenhang. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 23 februari 2021 Weblink bron Michel Kerres “Zonder eenheid zijn VS geen geloofwaardige wereldmacht” (15 januari 2021) op nrc.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 23 februari 2021 Weblink bron Marc Hijink “Een Turingtest voor Trump” (19 oktober 2020) op nrc.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be