manifesteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·ni·fes·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘openbaren’ voor het eerst aangetroffen in 1451 [1]
  • afgeleid van het Franse manifester (met het achtervoegsel -eren) [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
manifesteren
manifesteerde
gemanifesteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

manifesteren

  1. wederkerend zich ~ als waarneembaar worden
    • De infectie manifesteert zich in eerste instantie door hoge koorts. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen