uiten

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ui·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van uit.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uiten
uitte
geuit
zwak -t volledig

Werkwoord

uiten

  1. wederkerend zich ~: uiting geven aan gevoelens
    • Hij had vaak moeite zich te uiten. 
  2. overgankelijk zeggen
    • Hij uitte een schreeuw. 
     Het vertrek van een reeks hooggeplaatste functionarissen werd op 5 juli ingeluid door minister van Financiën Rishi Sunak en gezondheidsminister Sajid Javid. Het tweetal uitte bij hun vertrek felle kritiek op Johnson. Ze schreven in een verklaring dat de overheid geen "goed, competent en serieus werk" verricht.[1]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 6 juli 2022 Weblink bron “Britse premier Johnson stapt op, maar blijft zitten tot opvolger bekend is” (onderdag 07 juli 2022), NU.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be