tied

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /tiːd/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

tied m

  1. tijd
Verbuiging



Nedersaksisch

enkelvoud meervoud
naamwoord tied
verkleinwoord tiedjen

Zelfstandig naamwoord

tied

  1. tijd