thema

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • the·ma
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘schoolopgaaf’ voor het eerst aangetroffen in 1717 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord thema thema's
themata
verkleinwoord themaatje themaatjes

Zelfstandig naamwoord

thema o

  1. een onderwerp dat behandeld wordt
    • Het thema van vandaag is alcoholisme. 
  2. een grondgedachte van een kunstwerk of muziekstuk
    • Het oude thema werd gebruikt in een nieuw werk. 
  3. (taalkunde) de stam
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • the·ma
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn

Zelfstandig naamwoord

thema o

  1. thema; een onderwerp dat behandeld wordt
  2. (muziek) thema; een grondgedachte van een muziekstuk
  3. (taalkunde) thema; het deel waar de rest van de zin over gaat
Verbuiging
Schrijfwijzen
Synoniemen
  1. námět monbezield, předmět monbezield
  2. motiv monbezield
Antoniemen
  1. jádro o
  2. réma o
Hyponiemen
  1. větný člen monbezield
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Verwijzingen

Meer informatie