huidig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hui·dig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘tegenwoordig’ voor het eerst aangetroffen in 1409 [1]
  • afgeleid van heden met het achtervoegsel -ig [2]
stellend
onverbogen huidig
verbogen huidige
partitief huidigs

Bijvoeglijk naamwoord

huidig

  1. bij het heden behorend
    • De huidige minister is erg intelligent. 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen