huidig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hui·dig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘tegenwoordig’ voor het eerst aangetroffen in 1409 [1]
  • afgeleid van heden met het achtervoegsel -ig [2]
stellend
onverbogen huidig
verbogen huidige
partitief huidigs

Bijvoeglijk naamwoord

huidig

  1. bij het heden behorend
    • De huidige minister is erg intelligent. 
     Wat ook niet hielp was dat ik nu weer alleen liep en niet meer mijn vertrouwde groep om mij heen had. De trail zou 700 kilometer dwars over het High Sierra gebergte gaan, met dagelijkse beklimmingen over passen van meer dan 4000 meter hoog. Dit was wel het laatste waar ik op dit moment op zat te wachten in mijn huidige, onzekere staat.[3]
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen