stuurpen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

stuurpen
Uitspraak
Woordafbreking
  • stuur·pen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stuurpen stuurpennen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stuurpen v/m [1]

  1. onderdeel van een fiets: onderdeel waarmee het stuur aan de binnenbalhoofdbuis wordt verbonden
    • Herremans, een bekende Belgische triatleet die in 2002 door een fietsongeluk verlamd raakte, doet dat op een handbike. ,,Dat zal een huzarenstukje worden. Hij moet zich naar boven trekken op zijn armen”, zegt Smets. ,,Ik zal hem vergezellen, terwijl ik achterwaarts op mijn fiets zit. Mijn zadel zal omgekeerd op mijn stuurpen gemonteerd staan. En op de plek waar het zadel normaal zit, zal ik twee spiegels monteren. Dat doen we omdat ik moeilijk achterom kan kijken op zo'n fiets.” [2] 
    • De meest voorkomende problemen waren de aanwezigheid van openingen met het risico dat vingers gekneld kunnen raken, een te zwakke stuurpen en het ontbreken van gebruiksinstructies en waarschuwingen. “Als minister van Consumenten wil ik erop toezien dat speelgoed veilig is, en dat ouders hun kinderen met een gerust hart kunnen laten spelen”, zegt minister Kris Peeters (CD&V). [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen