stuurrad

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

stuurrad
Uitspraak
Woordafbreking
  • stuur·rad
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stuurrad stuurraderen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stuurrad o [2]

  1. het grote wiel met uitstaande spaken waarmee men het roer van een boot bedient
    • Midden op het IJ viel de motor van onze zeewaardige boot uit. Eén van mijn broers stond aan het stuurrad en riep dat er iets mis was. Niemand reageerde op zijn roep; we gingen rustig door met ademhalen, boeken lezen en rosé drinken. [3] 
    • Een gevoel van opwinding; anders is het niet te zeggen. De zeilboot van mijn vriend is een juweel. Eigenlijk nog nieuw en in perfecte staat. Belangeloos heeft hij mij de boot geleend. Als ik er maar zuinig op ben. Wel, dat lijkt me geen punt. Mijn haar wappert in de wind en met een onbedwingbaar gevoel van trots sta ik achter het grote stuurrad van het schip van mijn vriend. [4] 
    • Van Waarts volgende onderdeel in de rondleiding is het dubbele stuurrad dat al gereed is voor gebruik. „Er stond altijd twee man aan het roer en door het dubbel te maken, kon tijdens een storm vier mannen het roer in bedwang houden.” [5] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen

  1. stuurrad op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Het Parool 3 SEPTEMBER 2008 Uitvaren (2)
  4. Reformatorisch Dagblad 29-12-2009 Wind in de zeilen, zon op de boeg
  5. Reformatorisch Dagblad Gerco Verdouw 20-10-2011 Rotterdam herbouwt oorlogsschip De Delft
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be