stuurslot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stuur·slot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stuurslot stuursloten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stuurslot o [1]

  1. een slot dat het stuurmechanisme blokkeert zodat het voertuig niet te gebruiken is
    • Op Facebook heeft Greetje inmiddels een oproep gelanceerd. Die werd al meer dan drieduizend keer gedeeld. ‘In de eerste plaats wil ik andere mensen waarschuwen: gebruik een stuurslot en zorg ervoor dat je je auto, ook na een lange reis, onmiddellijk uitlaadt’, aldus Greetje. ‘Maar stilletjes hoop ik onze auto of enkele van onze spullen ooit terug te zien. Wie weet op een tweedehandssite?’[2] 
    • Het voertuig werd gestolen bij het Denekampse bedrijf Timmerman Landbouwmechanisatie. Daar stond het op het terrein. „Afgesloten, zelfs met een stuurslot”, zei Rick Lansink van het bestolen bedrijf.[3] 
    • Met dat advies in zijn achterhoofd ontdekt Cooper stukje bij beetje een reusachtig probleem in de auto’s van GM. Als de wagens uitvallen, valt namelijk ook de stuurbekrachtiging uit en kunnen ze in het stuurslot schieten. Het gevolg is een onbestuurbare auto.[4] 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 09/AUGUSTUS/2016
  3. Tubantia 03-NOVEMBER-2016
  4. NRC Joost Pijpker 8 januari 2016