stuurloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stuur·loos
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen stuurloos stuurlozer stuurloost
verbogen stuurloze stuurlozere stuurlooste
partitief stuurloos stuurlozers -

Bijvoeglijk naamwoord

stuurloos

  1. zonder sturing in sociaal opzicht
    • Doordat de groep stuurloos was, lukte het niet enige vooruitgang te boeken met het project. 
  2. zonder sturing in mechanisch opzicht
    • Doordat de auto stuurloos was, raakte hij van de weg. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.