snuiter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snui·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kwant’ voor het eerst aangetroffen in 1872 [1]
  • afgeleid van snuiten met het achtervoegsel -er [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord snuiter snuiters
verkleinwoord snuitertje snuitertjes

Zelfstandig naamwoord

snuiter m

  1. een raar, vreemd persoon
    • Een figuratieve ambachtsman die flirtte met pop-art, die niks moet hebben van het minimalisme van grote rode vlakken of barbaarse abstracte kunst, maar portretten maakt en reusachtige kleurrijke natuurschilderingen. Een vrolijke, innemende snuiter bovendien. [3] 
  2. (gereedschap) werktuig lijkend op een schaar om de verbrande pit van kaarsen af te knijpen (de kaars te snuiten)
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen