zonderling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zon·der·ling
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vreemd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1605 [1]
  • Afgeleid van het verouderde zonder (ongewoon) met het achtervoegsel -ling
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zonderling zonderlinger zonderlingst
verbogen zonderlinge zonderlingere zonderlingste
partitief zonderlings zonderlingers -

Bijvoeglijk naamwoord

zonderling

  1. bij alle anderen bevreemding opwekkend
    • Hij maakte een zonderlinge indruk. 
Synoniemen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord zonderling zonderlingen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zonderling m

  1. iemand die los van de samenleving leeft en bevreemding opwekt
    • Hij is altijd al een beetje een zonderling geweest, maar nu is het wel heel erg geworden. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen